PDF
Verhogen van de arbeidsparticipatie

Arbeidsparticipatie

De komende jaren zal de arbeidsmarkt krapper worden, de vraag naar werknemers in bepaalde beroepsgroepen, sectoren en opleidingsniveaus zal groter zijn dan het aanbod. De uitzendbranche is een belangrijke early indicator voor een krapper wordende arbeidsmarkt. De uitzendsector is de grootste werkgever in Nederland en stelt op hoogtijdagen ruim 734.000 mensen aan het werk en vervult 1,4 miljoen vacatures op jaarbasis. Gezien de ontwikkeling van de uitzendmarkt op dit moment zal de echte krapte nog even op zich laten wachten, maar we zullen ons er wel alvast op moeten voorbereiden. Krapte zal niet automatisch leiden tot een volledig participerende beroepsbevolking. In de Arbeidsmarktanalyse 2010 concludeert de Raad voor Werk en Inkomen dat met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt volledige participatie niet vanzelfsprekend is in tijden van krapte. De participatie neemt alleen toe als het aanbod beter geschikt gemaakt wordt voor de vraag en als bepaalde moeizame transities op de arbeidsmarkt beter worden ondersteund.

 

De uitzendbranche heeft bewezen op beide gebieden te kunnen bijdragen:

  • Scholing: in 2010 zijn 5.500 flexkrachten gestart met een leerwerktraject en in 2011 verwachten de uitzendorganisaties 7.100 BBL-trajecten te starten. Dit terwijl de uitzendbranche nog bezig is met herstel van de crisis.  
  • Transities: uit onderzoek van UWV WERKbedrijf blijkt de uitzendbranche een cruciale rol te spelen in sectorale mobiliteit. Door de crisis zijn veel uitzendkrachten werkloos geworden, maar een groter aantal werkzoekenden vond weer werk via de uitzendbranche. In 2009 leverde de uitzendbranche een positieve bijdrage aan het verlagen van de werkloosheid met 12.600 personen.

WAT VINDT DE ABU?

De bijdrage die de uitzendsector kan leveren aan het verhogen van de arbeidsparticipatie zou nog groter kunnen zijn als:  
  1. Publieke partijen meer gebruikmaken van private partners. De ABU heeft met UWV WERKbedrijf het initiatief genomen om speeddatesessies te organiseren voor recent werkzoekenden, dit leidt tot een structureel verhoogde uitstroom. De uitzendbranche meent dat ook in de samenwerking met gemeenten voor de bestanden van bijstandsgerechtigden de uitstroom op deze wijze gestimuleerd kan worden.
  2. Scholingsfondsen uit verschillende sectoren beter samenwerken. Op dit moment financieren de meeste scholingsfondsen opleidingen van het zittende personeel en alleen voor opleidingen binnen de eigen sector. Het scholingsfonds van de uitzendbranche (STOOF) investeert juist in werkzoekenden en leidt op doorstroom naar andere sectoren. Op het moment dat samenwerking wordt gestimuleerd zouden er veel meer flexkrachten geschoold kunnen worden voor specifieke sectoren waar tekorten zijn. STOOF heeft op dit moment een tweetal succesvolle pilots lopen met respectievelijk de opleidingsfondsen in de metaal en in de bouw.
  3. De WVA voor de uitzendbranche behouden blijft. De WVA-onderwijs (afdrachtskorting loonbelasting) is een belangrijk middel om leerwerkbanen mogelijk te maken voor uitzendondernemingen. Uit onderzoek blijkt dat bijna 60% van de uitzendondernemingen die opleiden zouden stoppen of minderen met leerwerkbanen als de WVA-onderwijs voor uitzendondernemingen zou wegvallen.
  4. Er een activerende werking uitgaat van de sociale zekerheid. De WW en de nieuwe regeling Werken naar Vermogen zouden gericht moeten zijn op participatie. Voor werkzoekenden zou er een stevige financiƫle prikkel in moeten zitten tot participatie en waar deze prikkel reeds is ingebouwd, dient deze ook toegepast te worden. Voor werkgevers is transparantie in de bestanden van werkzoekenden van essentieel belang. Daarbij moeten de competenties en het arbeidsvermogen van de werkzoekende als uitgangspunt dienen, elke werkzoekende dient minimaal te beschikken over een e-portfolio of EVC. Uniformiteit in de uitvoering is een voorwaarde, lokaal verschillend beleid leidt tot inefficiƫntie en staat participatie in de weg. Ook zijn eenvoudig toe te passen fiscale stimuleringsmaatregelen voor werkgevers cruciaal. Dit alles tezamen leidt tot een hogere uitstroom.
  5. De Wet Uniformering Loonbegrip (WUL) niet zou leiden tot kostenverhoging aan de onderkant van de arbeidsmarkt. In dit wetsvoorstel zou de WW-franchise worden afgeschaft, hierdoor worden de loonkosten van werknemers met een loon tot 20.000 euro substantieel hoger. Het wordt voor werkgevers onaantrekkelijker deze werknemers een dienstverband aan te bieden. Het is onwenselijk dat een wet, die als doel heeft de administratieve lasten te verlagen, uiteindelijk leidt tot een verslechterde arbeidsmarktpositie voor werkzoekenden aan de onderkant van de arbeidsmarkt.
  6. De sociale zekerheid beter aansluit bij een veranderende en flexibiliserende arbeidsmarkt. De sociale zekerheid is veel te eenzijdig gericht op de mensen met een vast contract. Ook blijkt dat de mobiliteit van zittende werknemers en werkzoekenden geremd wordt.