PDF
Buitenlandse werknemers en integratiebeleid

ABU-leden bemiddelen jaarlijks 734.000 uitzendkrachten. Van deze groep is 18% allochtone Nederlander. 29% van hen vond een vaste baan via het uitzendbureau. Daar bovenop is 6,8% afkomstig uit Oost-Europese landen, vooral uit Polen (90%). Dat zijn dan bijna 50.000 werknemers, de helft van alle Oost-Europese werknemers in Nederland. De uitzendformule is bij uitstek geschikt om werkgevers op drempelloze wijze kennis te laten maken met werknemers die zij wellicht zelf niet in dienst genomen zouden hebben.

Opleiding en inburgering
Een kleine 32.000 uitzendkrachten (excl. scholieren en studenten) volgden in 2008 een opleiding naast hun uitzendwerk. Uit gegevens van de Stichting Opleiding & Ontwikkeling Flexbranche (STOOF) blijkt dat een kwart van hen van allochtone afkomst is. Het is de ambitie van STOOF om in de toekomst nog meer uitzendkrachten aan een opleiding te helpen naast hun flexwerk. Ook met betrekking tot de (taal)opleiding van Oost-Europese arbeidsmigranten spelen uitzendbureaus een belangrijke rol. Uit een enquête onder ABU-leden blijkt dat tweederde van de organisaties 24 uur per dag een tolk beschikbaar heeft. Een meerderheid biedt daarnaast taallessen en functiegerichte opleidingen aan. Er wordt gemiddeld veel gebruikgemaakt van de aangeboden opleidingen. Het gebruik van de inburgeringbegeleiding is gemiddeld het hoogst onder de uitzendkrachten die werkzaam zijn bij organisaties waar dit wordt aangeboden.

De Poolse arbeidsmigrant is geen Turkse gastarbeider
In de Nederlandse maatschappij bestaat veel angst dat de integratie van nieuwe arbeidsmigranten zal mislukken als er niet snel en hartgrondig wordt ingegrepen. De ABU heeft begrip voor deze angst maar merkt op dat er grote verschillen zijn tussen groepen arbeidsmigranten uit verschillende delen van de wereld. Deze verschillen zitten in de afstand tot het thuisland, de binding met het thuisland, het welvaartsniveau in het thuisland, de culturele overlap met de Nederlandse maatschappij en het gemak weer terug te keren. Terugkijkend op de migratiegolf uit de jaren ’60 en ’70 die bestond uit Turken, Marokkanen en Zuid-Europeanen valt op dat veel Zuid-Europeanen niet alleen zijn teruggekeerd doordat de lonen in het land van oorsprong begonnen te stijgen maar ook omdat zij gemakkelijk weer terug konden keren vanwege de Europese interne markt.

WAT VINDT DE ABU?

Uit diverse onderzoeken blijkt dat veel Oost-Europese arbeidsmigranten slechts tijdelijk in Nederland zijn en in overgrote meerderheid (85%) uiteindelijk weer terug wil naar het thuisland. Diegene die wel langer willen blijven stellen zich veelal open op ten opzichte van de Nederlandse maatschappij en spelen vaak een actieve rol in hun lokale gemeenschap. 85% van de MOE-landers geeft aan (graag) meer over de Nederlandse cultuur te willen leren en 83% wil (graag) de Nederlandse taal leren, ongeacht de verblijfsintentie (Risbo, 2008). Dit zijn enkele van de vele indicatoren die tonen dat Oost- Europese arbeidsmigranten zich op een eigen maar open wijze verhouden tot participatie in de Nederlandse maatschappij en cultuur. We moeten er daarom voor waken de nieuwe Oost-Europese arbeidsmigrant niet te stigmatiseren. Door excessen uit te vergroten lopen we het risico een welwillende groep arbeidskrachten van ons te vervreemden die bereid is actief deel te nemen aan onze arbeidsmarkt en maatschappij. Dit kan ertoe leiden dat ze Nederland links laten liggen met alle gevolgen voor de Nederlandse economie tot gevolg.