Pensioenonderzoek: Analysekader


Analysekader - Detail

Deskundigen op het gebied van pensioen hebben nagedacht over opties voor vermogensopbouw als alternatief voor het pensioen. De belangrijkste uitgangspunten van de opdrachtgevers waren hierbij dat de eerste pijler van het pensioen (AOW) als een gegeven wordt beschouwd, en dat de opties helder en uitlegbaar moeten zijn. Hiernaast wilden de brancheorganisaties benadrukken dat de arbeidsvoorwaardenruimte gelijk blijft. Met arbeidsvoorwaardenruimte bedoelen we beschikbare financiële middelen (ruimte) die werkgevers hebben voor arbeidsvoorwaarden (zoals loon) van werknemers. Het inventariseren van alternatieven heeft nadrukkelijk niet als doel om hierop te bezuinigen. Het denkwerk heeft geresulteerd in een pallet aan opties, rijp en groen door elkaar. Op basis van deze groslijst hebben we bovenstaand analysekader ontwikkeld, dit helpt stap-voor-stap keuzes te maken.

Het analysekader begint links. De eerste keuze bij het nadenken over vermogensopbouw is de vraag of werknemers verplicht vermogen opbouwen door een deel van hun salaris af te staan of dat zij meer brutoloon krijgen en zelf beslissen wat ze ermee doen. Als we uitgaan van verplichte vermogensopbouw, dan schuiven we een stukje op naar rechts, naar de tweede keuze. Hier is de vraag of werknemers individueel of collectief vermogen opbouwen. Door een keuze in het analysekader te maken, komen we terecht bij een nieuwe keuze. Als we kiezen voor collectief vermogen opbouwen, dan is de volgende keuze tussen nationaal vermogen opbouwen en sectoraal. Als we de voorkeur geven aan individueel vermogen opbouwen, dan kunnen we nog kiezen waarvoor we sparen (het spaardoel). Bij het spaardoel gaat het erom of we sparen voor de oude dag of (ook) voor andere doeleinden, zoals scholing, zorg of eigen woning. Deze vier keuzes, die we in het Analysekader hierboven hebben genummerd, hebben de werknemers, werkgevers en pensioendeskundigen beargumenteerd. We hebben het resultaat hiervan op vier Argumentenkaarten uitgetekend.

Op de Argumentenkaarten op deze en volgende pagina’s brengen we de argumenten voor en tegen vier hoofdkeuzes in beeld vanuit het perspectief van werknemers. Met werknemers bedoelen we mensen die in dienst van een werkgever inkomen uit arbeid verkrijgen. Dit zijn wel flexwerkers, maar geen zzp’ers. We onderscheiden argumenten die gelden voor alle werknemers en argumenten die extra relevant zijn voor de ‘gemiddelde werknemer’ in de vier sectoren.

We zijn ervan uitgegaan dat deze ‘gemiddelde werknemer’ een specifiek profiel heeft. Zo werkt een gemiddelde werknemer in de vier sectoren relatief weinig uren (minder dan 20 uur per week), en heeft vaak een flexibele en korte arbeidsrelatie. De werknemer is veelal laagopgeleid en heeft een loon dat lager ligt dan gemiddeld. De argumenten met het icoon zijn door de deskundigen benoemd als extra relevant voor de gemiddelde werknemer in de vier sectoren.