Hedwig Vermeulen, arbeidsmarktonderzoeker KBA Nijmegen: “Toenemende maatschappelijke relevantie van uitzendwerk”6 dec 2018


Cover Uitzendmonitor.JPG

Onlangs verscheen de nieuwste Uitzendmonitor. In opdracht van de ABU deed KBA Nijmegen onderzoek naar de samenstelling van de groep uitzendkrachten en ontwikkelingen in uitzendbanen. De belangrijkste conclusie: de toegevoegde waarde van uitzendwerk is en blijft groot.

“Voor de Uitzendmonitor gebruiken wij cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en combineren die met cijfers van de Polisadministratie van UWV. Zo zijn we in staat om trends over de afgelopen tien jaar in beeld te brengen,” licht KBA-onderzoeker Hedwig Vermeulen toe. “Het aantal uitzendkrachten is weer terug op het niveau van voor de crisis. In 2007 waren er bijna 840.000 uitzendkrachten. In de crisisjaren nam dat aantal met 150.000 af. Nu tien jaar later zijn er ruim 856.000 uitzendkrachten. De uitzendbranche speelt dus een belangrijke rol bij het opvangen van fluctuaties op de arbeidsmarkt.” Door de tijd heen blijft uitzendwerk een stabiel onderdeel van de arbeidsmarkt, analyseert Vermeulen. “Het aandeel van uitzendwerk in de werkzame beroepsbevolking schommelt rond de 3%. Voor de crisis was het 3%, in de crisis daalde het tot 2,5% en in 2017 steeg het licht tot 3,3%. De grote groei van flexibele arbeid - van 27% in 2007 naar 40% in 2017 - zien we dus niet terug bij uitzendwerk.”

Het aantal 55-plussers dat aan het werk is als uitzendkracht, is in de afgelopen tien jaar meer dan verdubbeld. - Hedwig Vermeulen, arbeidsmarktonderzoeker KBA Nijmegen

Uitzendwerk maatschappelijk relevant

Een opmerkelijk feit is daarnaast de toenemende maatschappelijke relevantie van de uitzendbranche, aldus Vermeulen. “Zo heeft de uitzendbranche voor ouderen een belangrijke participatiebevorderende rol. Het aantal 55-plussers dat aan het werk is als uitzendkracht, is in de afgelopen tien jaar meer dan verdubbeld. En ook voor de blijvende inzetbaarheid van ouderen kan uitzendwerk een rol spelen. Zo blijkt dat van de WW’ers van 55 jaar en ouder die vanuit een uitzendbaan in de WW instroomden, 59% binnen een jaar weer een baan vindt, terwijl van de 55-plussers die vanuit een vaste baan de WW instroomden slechts 18% binnen een jaar een baan weet te vinden. Dat is een verschil van ruim 40%. In het licht van de toenemende vergrijzing een zeer relevant gegeven.”

Poort naar werk

Ook voor andere groepen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt, zoals WW’ers, is uitzendwerk een belangrijke poort naar werk, onderstreept de onderzoekster. “Als we kijken naar WW’ers die maximaal een jaar WW ontvingen, dan vindt 40% een tijdelijke baan, 28% een uitzendbaan en slechts 11% een vaste baan. Van degenen die een tijdelijke of vaste baan vonden, is ruim 80% na drie jaar nog steeds aan het werk. Maar ook van alle WW’ers die na hun uitkeringsperiode een uitzendbaan hebben gevonden, is 76% na drie jaar nog steeds aan het werk. Een mooi resultaat.”

Scholing

Op het gebied van scholing is er volgens Vermeulen tevens een positieve trend te zien. “Het aantal uitzendkrachten dat een opleiding volgt, is gestegen van 12% in 2007 naar 14% in 2017. Maar bij werknemers met een vast contract ligt dat scholingspercentage met 19% nog hoger. Daar ligt dus een uitdaging. Want een leven lang leren wordt - mede door snelle technologische ontwikkelingen - steeds belangrijker. Zeker voor uitzendkrachten, die vaker van beroep wisselen dan niet-uitzendkrachten.”

Kleurrijke branche

Met maar liefst 160 verschillende nationaliteiten weerspiegelt de uitzendbranche ook onze kleurrijke samenleving. Vermeulen: “Wat daarbij opvalt, is dat 1 op de 5 uitzendkrachten een niet-westerse migratieachtergrond heeft. Via de uitzendbranche vinden duizenden vluchtelingen uit landen als Syrië en Somalië de weg naar de arbeidsmarkt.” En het gaat om serieuze banen, stelt ze. “Voor het overgrote deel van de uitzendkrachten (69%) is uitzendwerk de enige baan. Het gemiddeld aantal uren ligt op 30 uur per week. De helft van de uitzendkrachten heeft zelfs een contract van 36 uur of meer. Dat wijst erop dat er vrijwel geen sprake is van ‘Amerikaanse toestanden’, waarbij baantjes moeten worden gesprokkeld om in het levensonderhoud te kunnen voorzien. Daar mag de branche best trots op zijn!”