ABU: Algemene Bond Uitzendondernemingen

Het is tijd voor een nieuw model voor onze arbeidsmarkt

Op maandag 13 mei aanstaande is professor Paul de Beer een van de sprekers op het ABU-congres, waar de waarde van werk centraal staat. Maar wat bepaalt eigenlijk de waarde van werk? En is de vaste baan nog wel de beste manier om waardevol werk te creëren?

Is het idee over de waarde van werk in de loop van de geschiedenis veranderd?

“Dat idee is ingrijpend veranderd. In het oude Griekenland en het Romeinse Rijk werd werk als iets minderwaardigs gezien. Werk werd bij voorkeur gedaan door slaven. Als burger was het veel interessanter om je tijd te besteden aan filosoferen of aan politiek, dat waren volwaardige activiteiten. Later, onder invloed van het christendom, werd werken een plicht. Denk aan de beroemde Bijbelse frase ‘in het zweet des aanschijns zult u uw brood verdienen’. Men zag werken als een dienst aan God, maar tegelijkertijd werd het ook als een last gezien.”

Wanneer veranderde ons beeld over werk?

“Dat veranderde in de 20e eeuw. Toen kreeg het een veel positievere beoordeling. Je werkte niet alleen uit extrinsieke motivatie, dus om geld te verdienen, maar er was ook een intrinsieke motivatie. Psychologen en sociologen benadrukten dat het belangrijk was, dat werk mogelijkheden bood voor de ontwikkeling en ontplooiing van mensen en hen autonomie gaf. Die ideeën werden vervolgens overgenomen door beleidsmakers en politici. Denk aan het WRR-rapport Een werkend perspectief, waarin arbeidsparticipatie het centrale doel van het sociaaleconomische beleid werd. En denk aan de politieke slogan ‘Werk, werk, werk’.”

 

“Uitzendorganisaties kunnen een belangrijke rol hebben om mensen te ondersteunen bij het optimaal vormgeven van hun loopbaan.” – Paul de Beer

 

Zal het positieve beeld van werk in de 21e eeuw dominant blijven?

“Dat is de vraag. De groei van het aantal zelfstandigen zou best eens voort kunnen komen uit de behoefte aan meer autonomie. Je kunt je afvragen of de huidige manier van werken in loondienst voldoende aansluit bij de hoogopgeleide, geïndividualiseerde, mondige bevolking die meer regie wil over het eigen leven. En je kunt je afvragen of het bijvoorbeeld past bij de opmars van vrouwen op de arbeidsmarkt, die toch vaker betaald en onbetaald werk willen combineren.”

Hoe verklaart u dat veel vrouwen kiezen voor werken in deeltijd?

“Nederland is in vergelijking met andere landen echt een outlier, als je kijkt naar hoeveel vrouwen een deeltijdbaan hebben. Ik verklaar dat uit een min of meer toevallige situatie in de jaren tachtig. In die tijd wilden bedrijven, bijvoorbeeld in de detailhandel, meer dan veertig uur in de week open zijn, ook dus op donderdagavond en zaterdag. Door afspraken over collectieve arbeidstijdverkorting ging tevens de werkweek iets omlaag. Zo ontstond de behoefte aan kleinere baantjes. In diezelfde periode zie je dat getrouwde vrouwen, die voorheen weinig werkten, de arbeidsmarkt betreden. Voor kinderopvang waren er echter weinig voorzieningen. Dus was deeltijdwerk voor vrouwen vaak de enige optie. En dat sloot dus aan bij de toenemende behoefte van bedrijven aan mensen die een deel van de week inzetbaar waren.”

Dus deeltijdwerk is in ons land geaccepteerd geraakt?

“Ja, dat klopt. Bij die acceptatie hebben de vakbonden ook zeker hun invloed gehad. Zij zijn snel begonnen om goede afspraken over deeltijdwerk te maken, waardoor deeltijdwerk niet iets minderwaardigs was, maar volwaardig werk werd.”

Vindt u dat onbetaald werk anders gewaardeerd moet worden?

“Dat zou een goede zaak zijn. Het kabinet heeft een aantal jaren geleden de participatiesamenleving afgekondigd. Maar er is eigenlijk helemaal geen beleid om dat te ondersteunen. Als het kabinet wil dat mensen tijd aan zorgtaken besteden, dan moet je ook de combinatie met betaald werk mogelijk maken.”

De baan in loondienst is niet meer dominant, zo constateert u. Wat betekent dat voor ons sociale stelsel?

“Er zijn mensen die hopen dat we weer terug kunnen naar de traditionele vaste baan in loondienst. Zelf denk ik dat die kans niet heel groot is. Ik vraag me bovendien af of het wenselijk is, gezien de differentiatie in wensen onder werkenden. Onze sociale zekerheid is echter nog altijd gebaseerd op die standaardbaan uit de vorige eeuw, die niet langer de standaard is. Het is dan ook tijd om het ideaalmodel van onze arbeidsmarkt opnieuw te definiëren, inclusief een sociaal stelsel dat daarbij past.”

Ziet u de robotisering en digitalisering als een bedreiging voor de werkgelegenheid?

“Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de totale hoeveelheid werk daardoor sterk gaat afnemen. Het verdwijnen van banen is van alle tijden. De enorme uitstoot van arbeid uit de landbouw heeft ook problemen gegeven. Idem dito toen onze textielindustrie verdween of toen de mijnen in Zuid-Limburg dichtgingen. Er is één belangrijk verschil met het verleden. Eind vorige eeuw hebben we de uitstoot van arbeid opgevangen door mensen met de VUT te laten gaan of te laten instromen in de WAO. Dat kan nu niet meer. Dus zullen we ons actiever moeten inspannen om mensen van wie het werk verdwijnt, elders aan het werk te krijgen.”

Wat is er volgens u nodig?

“Het heeft geen enkele zin om tegen mensen te zeggen dat hun baan over twintig jaar wellicht verdwenen is. Het allerbelangrijkste is dat mensen in hun huidige baan gewend blijven om dingen te leren. Zodat, als daadwerkelijk blijkt dat hun baan verdwijnt, ze geleerd hebben om te leren, waardoor omscholing een minder grote opgaaf is. Daar ligt dus een uitdaging voor bedrijven en uitzendorganisaties, om ervoor te zorgen dat mensen regelmatig nieuwe taken erbij krijgen. Probeer vooral te voorkomen dat mensen vijftien jaar lang hetzelfde trucje doen.”

Welke rol ligt er in uw optiek de komende jaren voor de uitzendbranche?

“Veel uitzenders hebben zich de afgelopen jaren verbreed. Naast uitzendwerk is daar bijvoorbeeld zzp-bemiddeling en payrolling bijgekomen. Ik denk dat het niet verstandig is om een sector te zijn die louter ondernemers helpt om zo goedkoop mogelijk en met zo min mogelijk risico’s hun productieproces in te richten. Ik vind het dan ook positief dat de ABU een lans breekt voor goed werkgeverschap. Juist omdat we een groeiende diversiteit aan behoeften onder werkenden zien, kunnen uitzendorganisaties een belangrijke rol hebben om mensen te ondersteunen bij het optimaal vormgeven van hun loopbaan.”

Tot slot: wat kunnen de bezoekers van het ABU-congres op 13 mei van u als spreker verwachten?

“In ieder geval het antwoord op de vraag waarom het verstandig is voor uitzenders om Karl Marx weer eens te gaan lezen!”

Over Paul de Beer

Sinds 2003 is Paul de Beer bijzonder hoogleraar arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam en onderzoeker bij het AIAS-HSI. Sinds 2011 is hij tevens directeur van het Wetenschappelijk Bureau voor de Vakbeweging. In opdracht van de Goldschmeding Foundation leidt hij een onderzoeksproject naar de waarde van werk in de 21e eeuw.

Dit interview verscheen in Uitzendwerk – April 2019

Gerelateerde artikelen